Over de massamoorden van 1965 in Indonesië
Amsterdam, 18 december 2005
Ik dank het 1965 Herdenkingscomité voor de uitnodiging om hier te komen spreken. Ik vind het een eer om samen met andere sprekers, die zoveel weten over het onderwerp en zich zo hebben onderscheiden in de strijd, te zoeken naar gerechtigheid voor alle mensen die in 1965 ten slachtoffer vielen aan de massamoorden in Indonesië.
In 1961 ging ik studeren aan de Jajasan Siswa Lokantara en maakte kennis met de geschiedenis van Indonesië en sindsdien volg ik de gebeurtenissen daar. Ik heb bahasa Indonesia gestudeerd in de eerste helft van 1962 en de gedichten van Chairil Anwar vertaald. In 1963 en ’64 ging ik tweemaal terug als correspondent van de in Londen gevestigde Eastern World en als lid van de Afro-Asian Journalists’ Association.
Yoesoef Isak heb ik al in 1963 leren kennen. Hij was toen bestuurder bij de Journalisten Vereniging Indonesië. Ik heb grote bewondering voor zijn onvermoeibare strijd voor mensenrechten in verband met de massamoord van 1965 en de andere barbaarsheden van de zogenaamde Nieuwe Orde van de door de VS gedirigeerde fascistische dictatuur van Soeharto.
Sinds 1962 ben ik steeds meer betrokken bij Indonesië en het Indonesische volk. Als Algemeen-secretaris van de Filippijns-Indonesische Vriendschapsvereniging, regelde ik heel wat culturele uitwisselingen tussen de Filippijnen en Indonesië. Ik leerde ook bestuurders en leden van Indonesische progressieve organisaties kennen, waaronder communisten, nationalisten en gelovige mensen, waardoor ik enigszins bekend raakte met de factoren en gebeurtenissen voor, tijdens en na de massamoord van 1965.
De VS en andere Imperialistische landen achter de massamoord van 1965
De VS en andere Imperialistische landen stonden achter de massamoord van 1965 in Indonesië. Zij hadden er alle belang bij om de militaire kliek van Soeharto te gebruiken om een eind te maken aan de regering van Soekarno en het Nationaal Verenigd Front, die gekant waren tegen kolonialisme, imperialisme en neokolonialisme. Aan de brutale eisen van de militaire kliek van Soeharto kwam men in ruime mate tegemoet. Maar de imperialisten kregen wat ze wilden: een fascistisch militaire dictatuur uitgeoefend door marionetten.
De VS kwamen als sterkste imperialistische macht uit de Tweede Wereldoorlog voort en Indonesië lokte hen aan als een rijke bron van goedkope grondstoffen, een grote markt en een breed terrein voor investeringen. Controle over dat land zagen zij als noodzakelijk voor hun hegemonie over heel zuidoost Azië. Zij wilden, na de vergeefse pogingen van Engelse en Nederlandse imperialisten om de oude koloniale tijden weer te doen herleven, van Indonesië een half-kolonie maken, ondanks de vastbeslotenheid van het Indonesische volk om zijn in 1945 afgekondigde nationale onafhankelijkheid, te bewaren en te verdedigen.
Vooral door de revolutionaire rol van de Communistische Partij van Indonesië (PKI) en de constante bereidheid van deze partij om samen te werken met nationalisten en gelovige mensen tegen buitenlandse overheersing was het gevoel van nationale eenheid onder het Indonesische volk sterk gericht tegen kolonialisme en imperialisme. De Amerikaanse, Nederlandse en Britse imperialisten zagen de PKI als het grootste struikelblok, zelfs voor een half-koloniaal of neo-koloniaal arrangement.
Daarom probeerden de VS en hun Indonesische lakeien altijd de PKI te vernietigen. Eigenlijk was het Madiun incident van 1948 al de eerste serieuze provocatie na de Tweede Wereldoorlog tot eliminering van de PKI en haar aanhang via een golf van moorden en een arrestaties. De communisten werden erdoor uit de regering gegooid en de weg werd geplaveid voor het neokoloniale compromis wat de Ronde Tafel Conferentie van 1949 in feite was. De VS, Engeland en Nederland vochten als waanzinnigen voor hun oliebelangen en plantages in Indonesië.
Al onder Eisenhower had de Nationale Veiligheidsraad van de VS in 1953 een reeks documenten aangenomen, die in essentie opriepen om “in samenwerking met andere landen adequate maatregelen te treffen ter voorkoming van de communistische controle over Indonesië”. Om de Amerikaanse invloed te vergroten werd een opleiding voor Indonesische officieren opgezet. Tegelijkertijd knoopte de CIA, met veel geld, relaties aan met rechtse politieke partijen en organisaties, zoals Masjumi, met de pseudo-socialistische partijen en vakbonden van de SOKSI en een aantal islamitische organisaties.
De voortdurende pogingen van de VS en de andere imperialistische landen om hun neokoloniale eisen ingewilligd te krijgen dwong de nationalist Soekarno tot een alliantie met de PKI tegen de Amerikaans gezinde tegenstrevers Hatta en Soemitro, de Partai Socialis Indonesia en Masjumi tot midden jaren 1950 en in 1958 tegen de regionale rebellen als Permesta-PRRI en de Daroel Islam-TNI. Via allerlei kanalen, waaronder ook Filippijnse militaire agenten, voorzagen de VS de rebellen van geld. Ze presteerden het zelfs om in 1957 een openlijke moordaanslag te plegen op Soekarno met een vliegtuig van de Amerikaanse Clark luchtmachtbasis op de Filippijnen.
Maar al die vijandige manoeuvres en intriges van de VS resulteerden slechts in de verheviging van het verzet van het Indonesische volk en de versterking van de PKI en de NASAKOM, het verenigd front van nationalisten, gelovigen en communisten. Toen de grove methoden niet bleken te werken, gingen de VS over op een andere toer.
Terwijl ze Indonesië, tegen een schijntje, van zijn olie beroofden via Stanvac en Caltex, gaven de VS economische en militaire hulp in de vorm van toelagen en leningen. Zij bevorderden uitwisselingen tussen Amerikaanse en Indonesische universiteiten en de Ford Foundation gebruikte research-, studie- en reistoelagen om invloed uit te oefenen op academici en indirect dus op bepaalde studenten.
De meest subversieve acties van de VS werden uitgevoerd door het Pentagon, de CIA, de VS-Luchtmacht, de RAND-corporatie en de Ford Foundation. Die acties waren gericht op het generen van invloed onder de Indonesische legerofficieren. Het Amerikaanse hulpprogramma beloofde en leverde wapens, communicatie- en transportmiddelen. Indonesische legerofficieren kregen een Amerikaanse militaire opleiding zowel intern als in Amerikaanse militaire kampen.
Onder invloed van de VS formeerden de generaals Nasution en Soewarto de Indonesische Legerstaf en de Militaire School in Bandoeng (SESKOAD) om het Indonesisch leger compleet in een contrarevolutionaire organisatie om te vormen met strategische doctrines als ‘territorial warfare’ of ‘counterinsurgency’ of programma’s als ‘developing civic mission’ of ‘civic action’.
Het hoofddoel van het trainen van legerofficieren om functies in de overheid en in de economie over te nemen en op alle niveaus samen te werken met ambtenaren en anticommunistische organisaties was te verhinderen dat de PKI aan de macht zou komen.
De opkomst van de fascistisch militaire dictatuur van Soeharto
Het was op SESKOAD dat kolonel Soeharto de protégé werd van generaal Soewarto en begin jaren 1960 een belangrijk aandeel had in de formulering van de doctrines van ‘Territorial Warfare’ en ‘Civic Mission’. CIA-agenten als Guy Pauker en aanwinsten als colonel Jan Walandouw zagen in Soeharto een uitstekende marionet-officier. Hij was slim en corrupt. Soeharto had zich bij Soekarno weten in te likken en kreeg het bevel over het Strategisch Reserve Commando.
Hij hield zich onopvallend bezig met contraspionage en wedde op twee paarden in de concurrentiestrijd tussen de generaals Nasoetion en Yani. Uiteindelijk wist hij de SESKOAD legerdoctrine ‘Tru Ubaya Cakti’ als compromis aangenomen te krijgen op het leger-seminar van april 1965, zogenaamd als garantie van de politiek onafhankelijke rol van het leger. De ene keer in naam van de staatsveiligheid en dan weer in naam van de loyaliteit aan Soekarno spon hij een net van intriges en wist hij munt te slaan uit zijn invloed op leden en onderdelen van de presidentiële garde en van de Diponegoro Divisie. Hij vond zijn belangrijkste medewerkers onder officieren verbonden met de Amerikaans gezinde PSI.
Soeharto met zijn militaire kliek werd het belangrijkste instrument van de VS ter vernietiging van de PKI, de NASAKOM en de regering van Soekarno en voor de neokoloniale overname van Indonesië door de VS. Tussen 1961 en 1965 kwam dat instrument tot volle ontwikkeling. Hoewel Nasoetion sedert de massamoord van Madiun gezien werd als de belangrijkste Indonesische militaire agent van de VS, was hij in 1961 uit de gratie van de CIA geraakt, omdat hij er een aantal keren niet in geslaagd was een coup tegen Soekarno te plegen en diens zijde koos tegen Engeland, vooral ten aanzien van Maleisië.
In de periode van ’61-’65 oefende het Indonesische volk grote druk uit voor de realisatie van hun nationaal democratische rechten en belangen. De MANIPOL-USDEK was het lichtbaken binnen het kader van de NASAKOM. Het volk, maar vooral de arbeiders, eisten de nationalisering van de ondernemingen en plantages in bezit van de imperialisten. De PKI wist de steun van de boeren te vergroten door een campagne voor landbouwonderzoek, massa-organisatie en landhervorming.
Het volk dwong de Hollanders Irian Barat te verlaten en over te dragen aan de soevereiniteit van Indonesië. Het bracht de monopolies zover de olie opbrengsten te delen. Het liep te hoop tegen de Brits neokoloniale creatie van Maleisië. Het door de VS op touw gezette Maphilindo plan van de Manilla-regering kon de ‘ganyang Malaysia’ campagne van Indonesië niet dwarsbomen. De regering van Soekarno volgde steeds meer een politiek van ongebondenheid en anti-imperialisme en eiste de ontmanteling van alle Amerikaanse bases in de regio. Zij knoopte nauwere banden aan met de Sovjet-Unie en met China.
Nadat Soekarno gezegd had, “Naar de hel met de Amerikaanse hulp”. zetten de VS de niet militaire hulp stop en de CIA zette een speculatie op met valuta en veroorzaakte een schaarste aan consumptie artikelen, vooral levensmiddelen. Maar de leveranties aan het leger, in de vorm van wapens, communicatiemiddelen, voertuigen en 200 Aero Commander vliegtuigen van Lockheed, gingen gewoon door.
Buiten dat de militaire kliek van Soeharto geld kreeg van de CIA, kwam er ook geld binnen als beloning voor contra-revolutionaire operaties, streken ze steekpenningen op van Lockheed en de commissies van de Amerikaanse oliemaatschappijen aan de oliemaatschappij van het Leger, Permina, die gerund werd door generaal Ibnu Soetowo, en aan een andere olie maatschappij, Pertamin, gerund door Chaerul Saleh, de leider van de pseudo-proletarische en pro-Amerikaanse Murba partij.
De geheime diensten van de VS, Engeland, Nederland, Japan, Duitsland en Australië deelden, in overleg met elkaar, hun gegevens met de militaire kliek van Soeharto. Dat deden ze zowel voor, als tijdens en na het eliminatie proces van de PKI, NASAKOM en Soekarno. Al in december 1964 schreef een Pakistaanse ambassadeur in Europa aan de Minister van Buitenlandse Zaken, Ali Bhoetto, dat een Nederlandse geheim agent bij de NAVO hem het volgende had verteld: Westerse geheime diensten zullen iets organiseren wat moet lijken op een voorbarige coup van de PKI, waardoor het leger de gelegenheid krijgt de PKI te vernietigen en Soekarno om zijn bestwil gevangen te nemen. Begin ’65 beklaagde Soekarno zelf zich bij de speciale afgezant van Lyndon Johnson, Michael Forrestal, over de brief van de Britse Ambassadeur Gilchrist, die verwees naar een tegen Soekarno geplande coup.
De zo geheten Gerakan September Tigapuluh (Gestapu) was noch een beweging, noch een coup tegen ‘rechtse generaals’ door de PKI en links, zoals Soeharto en zijn imperialistische meesters beweerden. Al de generaals waartegen deze Gestapu gericht was, waren pro Soekarno, met als mogelijke uitzondering de Minister van Defensie, generaal Nasoetion, die bekend stond als rechts en anti-Soekarno. De Stafchef van het Leger, generaal Yani en de andere vijf generaals die vermoord werden, waren of pro Soekarno of hielden zich aan de staatspolitiek zoals Soekarno die voorstond.
De zogenaamde Revolutionaire Raad, waarvan kolonel Oentoeng van de Presidentiële Garde het hoofd zou zijn geweest, bestond alleen maar in de persverklaring, die in naam van Oentoeng werd verspreid. Die ‘Raad’ moest de Gestapu een schijn van werkelijkheid geven en een verband leggen met Soekarno, omdat kolonel Oentoeng gezegd zou hebben, dat hij optrad in verdediging van Soekarno tegen een ‘Raad van Generaals’. Zelfs Siam, voormalig lid van de PSI en dubbelagent in het speciale bureau van de PKI, werd louter gebruikt om het sprookje over de ‘Raad van Generaals’ rond te vertellen en als een instrument om de schijn van echtheid te verlenen aan de bewering dat de PKI voorkennis had van de Gestapu en daarvan deel uitmaakte.
Soeharto gebruikte de Gestapu om de PKI zwart te maken en die legergeneraals te elimineren die hem in de weg stonden en zijn opkomst zouden kunnen blokkeren of zelfs het plan zouden torpederen om de PKI en andere steunpilaren van de NASAKOM uit te roeien. Hij dirigeerde een aantal legereenheden om de zes generaals te arresteren en te vermoorden vanwege die illusoire Gestapu en zichzelf daarna aan de top van alle strijdkrachten te plaatsen onder het voorwendsel van stabilisatie van de situatie en ter bescherming van het leiderschap van Soekarno. Daarna gaf hij leiding aan de massa-arrestaties en de afslachting van PKI-leden en andere mensen. Regeringsfunctionarissen en de massamedia van de imperialistische landen hielden hun mond omdat het grootste deel van de slachting werd uitgevoerd door het Indonesische leger en zijn doodseskaders.
Soeharto deed of hij Soekarno beschermde, maar systematisch verwijderde hij de pro-Soekarno en pro-Yani officieren van hun sleutelposities in het leger. In de slachting en de verzwakking van Soekarno werd hij vooral geholpen door pro-Soeharto en anti-Yani generaals als Basoeki Rachmat, Soerdiman en andere officieren van SESKOAD. Hij spon garen bij de steun van Nasoetion voor de anti-PKI pogrom, maar later wist hij hem in te pakken en af te voeren.
Soekarno vertrouwde Soeharto tot het te laat was. In maart 1966 eiste en kreeg Soeharto van hem de bevoegdheid om de krijgswet in te voeren. In maart 1967 liet hij zich benoemen door de Voorlopige Raadgevende Volksvergadering omdat de echte president, Soekarno, onder huisarrest was. Hij zou dat blijven tot zijn dood in 1970. Via de fascistisch militaire dictatuur van Soeharto verkregen de VS de volledige zeggenschap over Indonesië als half-kolonie of neo-kolonie.
Het leek wel alsof deze dictatuur eeuwig aan de macht zou blijven. Zij kwam met de een na de andere antinationale en tegen het volk gerichte sociaal-economische politiek. In de jaren ’60 en ’70 leek het er op dat zij de Indonesische economie had gestabiliseerd door inkomsten uit de export van olie en andere natuurlijke rijkdommen, door de verhoging van de buitenlandse schuld en het toestaan van superwinstneming door de imperialisten, bureaucratische en militaire corruptie, import van consumptiegoederen en de opbouw van infrastructuur.
Toen de olie inkomsten begonnen te dalen, schakelde zij over naar de op export gerichte productie van halffabrikaten en naar een door het buitenland gefinancierd bouwprogramma voor de particuliere markt die floreerde in de jaren ’80 en ’90. Dit waren allemaal excuses voor ‘cash flow’ om een overmatige consumptie (auto’s en paleizen) te bevorderen die feitelijk betaald werd uit opgedrongen buitenlandse leningen. Met de financiële ineenstorting van zuidoost Azië in 1997 namen de protestacties toe en werden ze groter en heviger. In 1998 was de dictatuur van Soeharto rijp om te vallen.
De economische, maatschappelijke en politieke situatie in Indonesië blijft steeds slechter worden. Dat blijkt ondermeer hieruit, dat Indonesië sedert 2004, olie-importeur is geworden, de grote moeilijkheden om aan de buitenlandse verplichtingen te voldoen, de oplegging door de VS van de ‘war on terror’ of de ‘strategie van spanning’, die religieuze en etnische conflicten moet oproepen en de hegemonie moet rechtvaardigen van de VS over Indonesië en de rest van zuidoost Azië.
Gerechtigheid voor de slachtoffers van de uitroeiing
Met behulp van de, door de VS geleverde, communicatie apparatuur, landvoertuigen en vliegtuigen konden de officieren en soldaten van de militaire kliek van Soeharto zich in 1965 gemakkelijk verspreiden over de verschillende regio’s van Indonesië om mensen uit te moorden. De mensen, die ten slachtoffer vielen aan het leger en zijn doodseskaders, konden echter niets weten van de Gestapu noch van de moord op de zes generaals, omdat er in uitgestrekte gebieden zelfs geen radiotoestel te vinden was.
Dat de PKI haar grote aanhang onder de bevolking, binnen het staatsapparaat en in het leger niet mobiliseerde om de veronderstelde doelen van de Gestapu na te streven of zich te verdedigen tegen de slachtingen, bewijst dat de PKI niets te maken had met de Gestapu.
In november 1965 bezocht een Filippijnse afvaardiging een conferentie tegen Amerikaanse militaire bases. Een Indonesische kameraad gaf een Filippijnse kameraad toen een papier met daarop het jongste besluit van het Politbureau van de PKI waarin de leden van de PKI werden opgeroepen om kalm af te wachten hoe Soekarno de problemen binnen het Indonesische leger zou oplossen. Door dit signaal werden wij in de Filippijnen overtuigd dat de PKI geen enkele verantwoordelijkheid droeg voor de Gestapu.
Bij gebrek aan preciezere berekeningen door geloofwaardiger entiteiten ben ik het, wat betreft het aantal slachtoffers van de slachting in 1965, eens met generaal Sarwo Edhie, die zegt dat er drie miljoen mensen zijn omgebracht. Hij weet waar hij het over heeft, want hij was de generaal die leiding gaf aan de slachting. Het probleem met het te vaag blijven over het aantal — zo tussen de 300.000 en 1,5 miljoen — is, dat de imperialisten en hun pers luchtig doen over het aantal om de slachting in het bewustzijn van de mensen naar de achtergrond te dringen. Maar tegelijkertijd zijn ze er druk mee om het aantal vermeende slachtoffers van revolutionaire machten in andere landen omhoog te drijven.
Bourgeois journalisten, schrijvers en academici beweren gewoonlijk dat de slachtoffers van de massaslachting in 1965 allen PKI-leden waren. Ik ben het er niet mee eens om het aantal slachtoffers te beperken tot leden van de PKI. De slachtoffers waren communisten en andere mensen. Er werden zoveel niet-communisten vermoord omdat de PKI goed was in het opzetten van massaorganisaties en in werk voor het verenigd front. De golf van moorden door het leger en zijn ongeregelde meelopers trof zoveel niet-communisten omdat die werden aangezien voor communisten omdat zij bekend stonden als vrienden of familieleden van communisten.
Maar of het nu communisten waren of niet, al die slachtoffers bezaten inherente en niet te ontkennen mensenrechten. De imperialisten en hun marionetten hadden geen enkel recht om de mensenrechten van wie dan ook te schenden. Integendeel, zij verdienen gestraft te worden voor het opdracht geven tot de moord op drie miljoen mensen en tot het voor onbepaalde tijd opsluiten van nog eens 750.000 mensen als genoegdoening voor de moord op zes generaals. Deze generaals zijn vermoord door de sluipmoordenaar van Soeharto en niet door vrouwelijke en jeugdleden van de PKI zoals de Soeharto en de VS zeggen in hun psychologische oorlog. Het is van een uiterste absurditeit dat de imperialisten en hun marionetten zo bitter en agressief te keer gaan over mensenrechten schendingen door communisten, maar in alle talen zwijgen over of daarentegen goedpraten de slachtingen van 1965 in Indonesië, die behoren tot de meest verschrikkelijke misdaden in de 20e eeuw en vergelijkbaar zijn met de daden van agressie van de VS in Korea, Vietnam en Irak als het gaat om het aantal dodelijke slachtoffers.
Het indonesische volk en zijn instellingen, NGO’s, volksorganisaties, vakverenigingen en personages die zich inzetten voor de mensenrechten zijn het best in staat om de feiten aangaande de slachtoffers van de slachtingen van 1965 vast te stellen en te documenteren, de stoffelijke resten van de doden en hun overlevende familieleden te lokaliseren, de schenders van mensenrechten te identificeren bij hun zoeken naar gerechtigheid, rehabilitatie en schadeloosstelling voor de slachtoffers en hun families, en voor het organiseren van massameetings en een massabeweging ter bevordering van waarheid en gerechtigheid.
Alle mensen over heel de wereld en hun organisaties kunnen en moeten hun solidariteit en steun uitstrekken naar en het volk van Indonesië en ermee samenwerken in zijn strijd voor gerechtigheid voor en in het belang van de slachtoffers van de slachtingen in 1965. Zij kunnen morele en materiële steun geven. Zij kunnen de bevindingen en de conclusies verspreiden van de mensenrechten organisaties in Indonesië. Zij kunnen de slachtoffers en de overlevenden helpen bij de jacht op de mensenrechten schenders door alle mogelijke en noodzakelijke zaken tegen hen aan te spannen en op enigerlei wijze de reactionaire Indonesische staat verantwoordelijk te stellen. Zij kunnen de imperialisten veroordelen, de multinationale ondernemingen en banken die hun voordeel deden met de massaslachtingen van 1965 en de daaruit voortkomende fascistisch militaire dictatuur van Soeharto.
Niet alleen het grote aantal slachtoffers van de massa-arrestaties en moorden in 1965 en daarna, maar het hele Indonesische volk, dat werd onderworpen aan toenemende onderdrukking en uitbuiting, aan nationale vernedering en diepe onderontwikkeling en armoede, werd tot slachtoffer van de fascistisch militaire dictatuur van Soeharto en zijn imperialistische meesters, die de beweging voor nationale bevrijding en democratie wisten te vernietigen.
Daarom moet het volk van Indonesië een nieuwe democratische revolutie beginnen tegen imperialisme, feodalisme en bureaucratisch kapitalisme. De beste manier voor het Indonesische volk om gerechtigheid te vinden voor de martelaren van 1965 is de voortzetting van de revolutionaire strijd onder de herleefde leiding van de PKI.
###